Angst voor elkaar
Zijn we er? Ja! We staan stil. Eindelijk. Iedereen stapt uit en ik blijf verwonderd achter. Alleen. Ik heb net een nieuwe dimensie van angst ontdekt, maar bestemming is bereikt en de weg naar kantoor is te doen. Het is februari en ik heb het warm, heel erg warm. Ik ben nat van het zweet, hoewel ik even eerder nog koude rillingen voelde. Mijn benen zijn slap, maar ik moet echt gaan staan. De trein uit en tempo maken. Mijn blikveld is wazig, maar op routine vind ik mijn weg over het station, door de straat en op kantoor loop ik direct door naar achteren. Naar de WC, naar de kraan met water, naar rust.
Een half uur eerder zat ik ontspannen in de uit Leeuwarden vertrekkende trein. Zoals elke morgen lees ik, afwezig van de wereld om me heen, de krant. Doorgaans is de heenreis net genoeg om het sportkatern te lezen. Vandaag blijf ik steken op pagina vier bij de kop: KNVB onderzoekt fraude bij NAC. Welke lijken uit de kast zijn getrokken kom ik niet te weten, want na het lezen van de eerste woorden gaat er iets mis. Het licht gaat uit, mijn huid begint over mijn hele lichaam te tintelen en steken pijnigen mijn buik. Het zweet loopt waarschijnlijk in grote stralen van mijn kop, wanneer mijn handen mijn hoofd opvangen voelt mijn haar kletsnat. Alle energie stroomt uit mijn lijf en ik weet even niet waar ik het moet zoeken.
In ieder geval niet bij mijn medereizigers. Ik wil om hulp roepen, schreeuwen zelfs. Het lukt me niet. Ik grijp me vast aan de stoel en knijp de krant in een prop. Het meisje naast me schuift verder opzij als ik met diepe zuchten mijn ademhaling controleer. Waarom doet niemand wat? Ik ben geen dronkenlap, geen verslaafde die aan het flippen is. Ik kijk om me heen, zie veel bekende gezichten. Van mensen die elke ochtend dezelfde weg afleggen. Zij zullen mijn gezicht toch ook herkennen? Help me! Ik raak in paniek. Dit is dus angst. Mijn hele leven ben ik nooit bang geweest als dit angst is. Het gaat helemaal verkeerd, heb geen controle meer en kan in de trein geen kant op. Na een helse rit word ik ook bij het uitstappen genegeerd.
Diezelfde ochtend zit ik al snel weer thuis in mijn appartement. Thuisgebracht door een collega. Anderhalve week verder maalt het nog steeds in mijn hoofd. Over logische zaken. Hoe komt het nu met mij? Met mijn werk? Met mijn collega’s? Eén verbazing blijft zich opdringen: Waarom zijn wij met zijn allen zo bevreesd ons in het openbaar over elkaar te ontfermen?
